Het Hoge Noorden

Stad en Ommeland

 Mama Jandor hoorde onlangs van onze ex-buurvrouw Ria dat ze met echtgenoot Pim een tweetal nachten in de hoofdstad van onze gelijknamige noordelijkste provincie heeft gelogeerd. ‘Het Hoge Noorden’ wordt dit gebied door  talloze Nederlanders in de streek waar ik nu woon genoemd, en ondanks dat dit mij niet zo aanspreekt – want  ik kom immers  uit Delfzijl – gebruik ik nu toch maar deze aanduiding. Daar op de dijk waar wij als jonge kinderen o.l.v. vader Baas overdag maar ook bij duisternis in de rondte moesten kijken, want er was zoveel te zien. De helft was lucht, veel lucht, in allerlei schakeringen, de andere helft bestond deels uit  het water van de Eems en van de  Dollard dat ons scheidde van het Duitse Ost-Friesland met in het Z.O. op zo’n 10 k.m. afstand de havenstad Emden met zijn vele kranen. Emden was een belangrijker haven dan Delfzijl en dat konden wij als kinderen eigenlijk niet goed hebben. Draaiden we de Eems de rug toe dan keken we over het Groninger platteland met zijn uitgestrekte landerijen, je zag her en der een toren waarvan mijn vader exact wist  welk dorp eromheen lag. De ‘Olle Grieze’ kon je vanaf de dijk niet zien, Appingedam belemmerde ons het zicht. Maar destijds kon je staande bij het Kantongerecht in Appingedam dat zich naast het prachtige oude stadhuis bevond, over het Damsterdiep die 98 meter hoge Martinitoren, de trots van ‘Stad en Ommeland’ bij helder weer heel goed zien en omgekeerd was bovenin de Martinitoren het uitzicht over het vlakke land fascinerend. Afstanden vervaagden, de 30 fietskilometers naar Delfzijl leken een peuleschilletje (dat vonden wij later ook), Eems en Dollard, Ost-Friesland en Emden lagen in het Oosten, en de Waddeneilanden in het Noorden, alles zag  je in een oogopslag. Draaide je nog verder tegen de klok in dan volgden Friesland in het Westen en Drenthe in het Zuiden, daar had je ook nog een paar oogopslagen voor nodig , al die beelden werden in je geheugen geprent en daar zijn ze nog altijd.

Noorderlicht

Het Noorden is waar de kompasnaald naar wijst, dat is in zijn algemeenheid wel juist, het werd ons al vroeg bijgebracht: vader en zijn oudste broer Cees (Cornelis) kwamen uit een zeevarende familie en wij woonden  in een havenstad. Hun vader, mijn opa  Jacob Baas werd 11 februari 1838 in Oudeschild* op Texel geboren uit generaties zeelui w.o. loodsen.  De zeemansverhalen over storm en noodweer spraken ons dus wel aan, bij springvloed en extreme hoge waterstand gingen we met vader naar de haven en naar de dijk om getuige te zijn van het barricaderen met planken en zandzakken van de haveningangen naar de lager gelegen vesting Delfzijl dat toen geen vesting meer was maar wel onze woonplaats. Een heel andere en bijzondere gebeurtenis was het  Noorderlicht, de lichtverschijnselen richting Skandinavie die bij bepaalde weersomstandigheden optraden en ook in Delfzijl te zien waren zij het minder uitbundig en zonder de kleurenvariaties die oom Cees in de Oostzee had meegemaakt.Omdat het fenomeen nu eenmaal overdag niet waarneembaar is, mochten we lang opblijven of werden er ’s nachts voor wakkergemaakt; vader vond dat zijn  kinderen dat ook moesten leren kennen en hoewel moeder altijd zwakjes protesteerde kleedde ze ons dan warm aan en liepen wij aan de hand van vader enthousiast naar de zeedijk. Als we na een uur of langer  min of meer verkleumd weer thuiskwamen was er altijd warm drinken om weer op temperatuur te komen zodat we daarna voldaan prompt in slaap konden vallen.   Ik heb als kind dikwijls het Noorderlicht aanschouwd, de uitschietende ‘vlammen’  afhankelijk van de intensiteit, maar altijd fascinerend. In tegenstelling tot het spektakel in het gebied op tientallen graden hogere breedte dan Delfzijl (= 53  N.B.) heb ik in nooit de fameuze kleurschakeringen mogen waarnemen die o.m. in Noord- Skandinavie werden en worden waargenomen. Daar bevindt zich pas echt: Het Hoge Noorden.

Midwolda/Oldambt

Op 9 maart 1864 werd mijn grootmoeder Ludewei Hovinga geboren, haar vader Habbo Tiessens Hovinga, geb. 21 oktober 1821, was landbouwer in Midwolda in het Oldambt een landbouwgebied gelegen tussen Delfzijl en Winschoten (niet te verwarren met Midwolda in het Westerkwartier, eveneens in de provincie Groningen). De kapitale boerderij waarvan er zovelen  in deze agrarische omgeving stonden, lag aan de hoofdweg van het dorp, de bijbehorende en met het woonhuis verbonden kapitale schuren grensden aan de direct daarachter gelegen landbouwgronden (c.a. 55 bunder(s) oftewel 55 h.a.).  Ik meen te weten dat deze boerderij in de 18e eeuw werd gebouwd en omstreeks 1970 door  brand werd verwoest. 

Roerigheden in 1835. Een kleine 10 jaar geleden kwam ik in het bezit van een aantal fotokopieen uit diverse publikaties (kranten, etc.) met als onderwerp  de boerenopstand in in het Oldambt anno 1835.  De  invoering van het kadaster in 1832 had tot gevolg dat veel boeren op de door hen drooggelegde nieuwe polders een hogere grondbelasting opgelegd kregen. Omdat ik niet op de hoogte ben van de juiste omstandigheden destijds bepaal ik me tot een van de hoofdpersonen, de landbouwer Hovinga. Ergens las ik dat op 5 januari 1835 te Winschoten de ‘executoriale verkoping’ zou plaatsvinden van 14 stuks vee van de landbouwer Hovinga te Beerta. In een ‘Herdruk van ‘Uit Winschoten’s verleden’ (uit het Nieuwsblad van het Noorden’ dd 2-4-’99) lees ik: (Quote) “Er kwam verzet onder aanvoering van de landbouwer E.H.Hovinga uit Beertsterhogen. Op zijn initiatief besloten de boeren in het geheel geen grondbelasting meer te betalen.  Kort na………namen de autoriteiten maatregelen en werden vijfhonderd militairen richting Winschoten gedirigeerd…..Op 7 januari 1835 werd Hovinga (gearresteerd als aanstichter van het oproer) in het rechtsgebouw verhoord” (Unquote).  Etc. etc. 

Parenteel van Sijbolt Habbes Hovinga. (http://www.hovinga-1.myweb.nl/hovinga5.htm)  dd. 10-02001.                                                                                                                         [Noot: mooie blauwe letters, maar ik krijg als reactie: “Helaas kunnen we http:// www.hovinga-1  (etc) niet vinden”]

I.1 Sijbolt Habbes HOVINGA, geb 28-04-1746  te Midwolda

II.4 Ties Sijbolts HOVINGA, geb 16-06-1774 te Oostwolderpolder

III.22 Habbo Tiessens HOVINGA, geb.21-10-1821 te Midwolda

IV.25 Ludewei HOVINGA, geb. 09-03-1864  te Midwolda, huwde met Meertinus MEIJERING, geb. 27-07-1866 (mijn zus Ludewe’ Marie, geb. 13 nov. 1925 werd naar haar vernoemd).

 Vraag:

Wie is die oproer-Hovinga, wat weet men van hem en waar is op ‘eenvoudige wijze’ (voor mij althans) na te gaan in hoeverre ik van hem nog familie ben.

 

Gerard Libertus Bouman

Ludewei was de moeder van Fokkina Maria, geb. 06-12-1891 (mijn moeder) te Wonseradeel en van o.a. Maria Fokkina, geb.27-07-1900 te  Nieuwe Pekela. Maria Fokkina huwde met Gerard Libertus Bouman, Ned. Hervormd predikant achtereenvolgens te Warns, Winschoten, Hardenberg, Oldenzaal en ‘s-Gravenhage(ziekenhuispredikant ‘Bronovo’). hij werd wegens openlijk verzet door de Duitse bezetter via Oberhausen naar het Concentratiekamp Dachau overgebracht. Op zaterdag 26 mei 1945 – na 3 1/2 jaar verblijf in dat concentratiekamp – werd hij na 3  dagreizen  weer verbonden met zijn echtgenote (onze lievelingstante Maria).

Diezelfde dag nog, van 8u. ‘s avonds tot  2u. ’s nachts bereidde hij zijn preek voor die hij de volgende dag, zondag 27 mei 1945 dus, in de Ned. Herv. kerk te Hardenberg heeft gehouden en daags daarop  bezocht hij zijn bejaarde vader, Dr. L.  Bouman,rustend huisarts in de stad Groningen. Op dinsdag 29 mei werd hij door de Militaire Commandant van Hardenberg, fungerende als zijn ‘chauffeur’ bij zijn schoonouders (het eveneens hoogbejaarde domineesechtpaar Meijering-Hovinga  in Delfzijl, mijn grootouders gebracht. Ik had die middag, evenals mijn broer Jaap dienst in het Gemeentehuis, hij administratief, ik als ordonnans maar onze diensten liepen echter niet parallel. Onwetend van wat er die middag stond te gebeuren kreeg ik te horen dat ik mij in de directe omgeving van het bureau van de commandant moest ophouden en in tegenstelling tot mijn dagelijkse ordonnanswerk het gebouw niet mocht verlaten. Na enkele onnozele klusjes  werd ik op zeker moment bij de baas – de militaire commandant Lub Edens, die ik overigens goed kende, hij had n.l. een groot electriciensbedrijf in het centrum van Delfzijl – geroepen die  mij opdracht gaf onverwijld  naar het huis van mijn grootouders te gaan. In een mum van tijd stond ik buiten (ik was 16 jaar jong en vlug ter been) en na enkele minuten – extra gedreven gedreven door nieuwsgierigheid -zag  ik voor het huis van mijn grootouders een daar geparkeerde auto van de Binnenlandse  Strijdkrachten.  Binnengekomen zag ik temidden van de voltallige familie tot mijn grote vreugde mijn oom Gerard. Wij begroetten elkaar heel hartelijk en het bleek dat hij nog dezelfde  humor had die ik van vroeger kende, zeker toen hij mij weer als vanouds na wat hartelijkheden toevoegde: Petrus, dit komt uit Dachau, dit stukje vlakgom heb ik uit een kantooor van de Gestapo voor jou meegenomen.  Het was een blij weerzien na  3 1/2  jaren van spanning voor mijn grootouders die hun schoonzoon, voor mijn ouders die hun zwager en voor ons kinderen die deze sympathieke oom weer in ons midden zagen. De enige afwezige was tante Maria, maar die had thuis de laatste dagen al zoveel emoties te verwerken gehad dat zij in Hardenberg was gebleven. Na verloop van tijd gingen we weer uit elkaar waarna  mijn oom door de militaire commandant van  Hardenberg – die dit bezoek met zijn collega in Delfzijl enige dagen tevoren had geregeld – weer naar huis werd gereden.

Verzetsgroep Zwaantje

Mij grootouders waren na het emeritaat van opa in augustus 1939 van de pastorie aan de Landstraat  naar een nieuwe woning verhuisd. Deze woning, eigendom van de huisarts dr. A. Oosterhuis stond aan de Noordersingel, nr. 24 (?) en keek aan de achterzijde uit op diens grote achtertuin, het doktershuis zelf lag aan de Landstraat een der hoofdstraten van Delfzijl. En daar recht tegenover  bevond zich de winkel met werkplaats en de woning van de heer L. Edens waar hij met echtgenote, 2 dochters en zoon Harm, (nog  familie ?), woonde.  Zowel Edens als zijn overbuurman Oosterhuis waren zeer actief in het verzet, de huisarts was eigenaar van een coaster die naar zijn echtgenote  Zwaantje  was genoemd. Dit schip heeft vanuit de Delfzijlse haven veel vluchtelingen  naar Zweden gesmokkeld. Het 232 blz. tellende boek Verzetsgroep Zwaantje, schrijver Wil Vening, ISBN 90 6010 411-0, verhaalt hierover en vermeldt o.m. ook over de verzetsactiviteiten van de heer Edens, van mijn H.B.S.-wiskundeleraar Piet Veninga  (5 jaar eerder ook van mijn broer Jaap)die door de Duitsers werd geexecuteerd en vele anderen die ik ook min of meer goed gekend heb.          

 

Mijn oom Gerard Libertus Bouman werd na enkele jaren Warns (ZW-hoek Friesland) predikant in Winschoten. Daar hebben mijn oudere broer, mijn zus en ik een heel fijn vakantie-adres gehad, oom en tante waren kinderloos en wij logeerden zowel in de zomervakantie als tijdens Oud/Nieuw bij hen.Dikwijls logeerde daar dan ook Bertje Bouman , even oud als mijn zusje. Hij was een zoon van een broer van oom Gerard en zei dus net als wij ook gewoon: ‘oom en tante’. Er werd zomers veel gefietst, gewandeld, speeltuinen (o.a. in Wedderveer) bezocht, etc.  Oom Gerard was in het bezit van een toverlantaarn en daar waren we weg van. Ik weet niet al te veel meer van de getoonde beelden, ze waren m.i. meer voor de oudere kinderen (broer Jaap, zusje Ludy en neef Bertje) bestemd; ik herinner me  wel de beelden van de Duitse herstelbetalingen na de ‘Groote Oorlog’ (WOI). Die beelden fascineerden me geweldig, eindeloze treinen, veel oorlogsschepen etc. etc. Oom Gerard lichtte de beelden toe, ik verslond later als 8 `a 10-jarige dit alles en hij had daar plezier in. Hij gaf mij het ingebonden boek DE OORLOG* ,geillustreerde geschiedenis van den wereldoorlog (H.P.Geerke en G.A.Brands, 1e deel), uitg. Meulenhoff & Co, Amsterdam op het Damrak  , 336 p. met veel tekst, officiele foto’s `en  -proclamaties). In deze voor-oorlogse periode kreeg ik van hem de toenaam PETRUS, als ik hem vroeg waarom juist die naam dan keek hij mij indringend/vriendelijk aan en antwoordde  steevast: ‘ik heb eens in het buitenland een icoon van Petrus gezien en daar lijk jij sprekend op’. Jaren later heb  ik vaak  iconen bewonderd, ook van Petrus, ik vond er niet een die op mij leek. De meest overeenkomende ‘gelijkenis’ vond ik altijd als ik in de spiegel keek, dan zei ik – als kind – slechts: Dag Petrus ! en dan lachte ik om mezelf, mijn spiegelbeeld apprecieerde dat en lachte terug.

 

Stoomtrein-, stoomtram- en busverbindingen met Delfzijl

 Het waren er veel vond ik, in mijn Lagere Schoolleeftijd waren dat:

1.  De spoorverbinding Groningen-Stad via  Bedum  naar Delfzijl, bij Bedum was er (nog steeds) de aftakking naar Roodeschool,

2.  De spoorverbinding Groningen-stad naar Delfzijl ten zuiden van het Eemskanaal (het zogeheten Woltjerspoor),

3.  De stoomtram verbinding Delfzijl-Winschoten, het  O.G-trammetje door Oostelijk Groningen,

4.  De DAM-bus in onze provincie, o.a. Groningen-Delfzijl

5.  De O.G.-bus, o.a. Delfzijl-Winschoten

 

Het hoofdkantoor van de Damster Autobus Maatschappij stond in Appingedam (Dam), als je met de bus wilde reizen en je had een fiets bij je die ook mee moest, dan klapte de buschauffeur een aantal treden aan de zijkant van de bus naar beneden (een soort ouderwetse auto-richtingaanwijzers) en klom naar boven, je moest hem wel je fiets aanreiken die hij dan met de wielen plaatste in een 1 5 `a  20 c.m. hoge ‘reling’  aan weerszijden in de lengterichting bovenop het  dak van de bus. Bestemming bereikt: omgekeerde handeling. Ik heb er als kind dikwijls naar staan kijken, als passagier, maar ook als jonge- en nieuwsgierige ‘voorbijganger’ die meteen in de gaten had dat iemand met zijn fiets staande bij een bushalte kennelijk mee wilde reizen; ik bleef altijd even staan om al die handelingen goed te kunnen volgen, maar voor zover ik me herinner hebben wij nooit een fiets meegegeven. Mijn vader vond dat onze benen sterk genoeg waren om grote afstanden te fietsen, als mijn moeder en mijn zusje met de bus naar Groningen gingen, raceden wij op de fiets de  iets kortere route langs het Damsterdiep en waren nagenoeg gelijktijdig in de hoofdstad.  

Tenslotte de bus Delfzijl-Winschoten, de O.G.-bus (busvervoer in OostelijkGroningen). Begin/eindpunt N.S.-station Delfzijl resp. N.S.-station Winschoten. Stopte op verzoek bijna overal hoewel er ook enkele vaste haltes waren, lange reisduur dus. Toen Jaap en Ludy eens in Winschoten waren aangekomen was ik er niet bij. Geen telefoon, mobiel of twitter: maar…in Delfzijl werd wel een telegram bezorgd: No. 3 wordt verwacht. Dus aan de hand van mama onze straat, de Singel, overgestoken om daar op het trottoir bij het hek van ‘meneer Pastoor’  te wachten op de bus die we na enige minuten – het NS-station is vlakbij – om de hoek van de Landstaat zien aankomen. Als de bus stopt gaat de jeugdige passagier met zijn tasje alleen naar binnen, maar niet na heel teder afscheid van mama te hebben genomen want het is ook nog niet zo heel lang geleden dat hij zijn mama eens toevertrouwde:. “Wij hoote (‘oo’ in de klank van ‘hooren’) bij mekaar”.  [En hoevaak heeft die mama/moeder in latere jaren deze – haar diepgetroffen kinderlijke – liefdesverklaring met de betrokkene, de inmiddels opgroeiende zoon herhaald]. Zij geeft de buschauffeur  nauwkeurige instructies, instructies van een bezorgde moeder aan een empatische chauffeur die haar ruim 4-jarig  zoontje ‘zomaar’ meekrijgt. Maar die chauffeur weet van wanten: “Hier jij, achter mij op de  bank”, het jochie voldoet  meteen aan het bevel want hij begrijpt deze duidelijke taal (die hem van tevoren ook al thuis werd ingeprent) en dat stelt de in verwachting zijnde mama gerust, zij voelt wel aan dat deze chauffeur haar tot dan toe  jongste kind op het plein voor het Winschoter NS-station twee uren later behouden aan haar jongere zus zal overdragen. 

Onderweg moeten ook weer fietsen op het dak van de bus worden geplaatst door de chauffeur, maar hij verricht deze  handelingen eerst nadat hij zijn ‘prote’ge’  op zijn gronings/’grunnens’) dreigend vriendelijk heeft  toegevoegd ‘En doe blifst op dien ploats zittn’.  Het jochie blijft op zijn bank zitten vanwaar hij alles wat de chauffeur doet  nauwkeurig volgt. Als de rit verder gaat komt ineens de vraag van een vrouwelijke passagier aan de kleuter die in zijn onschuld  beleefd antwoordt en zegt dat hij alleen reist. Dan volgt er een verontwaardigde reactie naar de chauffeur: ‘Onverantwoord zo’n klein kind alleen te laten reizen’, het kind heeft hier geen weerwoord, de opmerking ontgaat hem deels, maar de essentie blijft hem haarscherp bij: na ruim 3/4 eeuw ziet hij het  weer voor zich, houdt er echter geen enkele frustatie van over.

Maar de rit is nog niet teneinde, Winschoten ligt hemelsbreed misschien 20 `a 25  km van Delfzijl en de bus volgt ieder weggetje die hij op zijn route tegenkomt (sterk overdreven !), de busreis duurt dan ook zo’n twee uren. (Nu het zovele jaren geleden is moet ik opmerken dat ik me het ‘busboekje’ ook niet meer zo goed kan herinneren, en misschien was er wel helemaal geen O.G.-busboekje ! ).

De passagiers zijn gemoedelijke plattelandsmensen waartussen  de alleenreizende kleuter zich thuis voelt, de buschauffeur heeft hen over hem ingelicht en nu passen ze allemaal een beetje op hem. En dat is ook goed want als  ineens een oud vrouwtje helemaal in het zwart gekleed, onwel wordt moet er worden ingegrepen en daarvoor is in eerst instantie de aangewezen persoon de buschauffeur. Maar ook de andere  passagiers betuigen hun medeleven en vormen al spoedig  een cordon om het bejaarde slachtoffer, typisch menselijk. Maar als dan ook de jongste buspassagier van zijn plaats opstaat, niemand houdt hem immers meer in de gaten,  om – ook typisch (kinder)menselijk – z`ijn medeleven/belangstelling of wat dies meer zij te tonen – al die grote mensen belemmeren hem immers nu het uitzicht op dat oude vrouwtje – dan wordt hij door de gehele busgemeente weer naar ‘zijn’ bank teruggestuurd. De buschauffeur en enkele behulpzame reizigers brengen tenslotte de bejaarde vrouw bij  een klein huisje binnen waar verder voor haar zal worden gezorgd. Als zij terugkomen vervolgt de bus zijn route.

Daarna volgt de aankomst voor NS-station Winschoten* waar tante Maria met Jaap en Ludy op het neefje en broertje wachten; het afscheid van de chauffeur is niet beklijft er  zijn immers ook zoveel indrukken te verwerken, maar mijn tante kennende zal zij hem zeker voor zijn goede zorgen bedankt hebben. En die kleuter heeft nu in Winschoten heel veel te vertellen en…. misschien kan hij het na al die jaren nog wel, ook  nu hij wat ouder is geworden.

 

Slotbemerking

*Aanvankelijk was ik van plan dit blog korter te maken en van foto’s etc. te voorzien, dat is me niet gelukt. Ik heb nagenoeg al mijn ansichtkaarten nog uit mijn kinderjaren, de oudsten zijn uit 1932, o.a. het O.G.-busstation voor het N.S.-station in Winschoten. Dat is dus de tijd van dat jochie waarover ik hier heb geschreven

In de Texelse Courant van Zaterdag30  november 1991 (p3) trof ik een artikel aan onder het kopje: ‘Televisiester Carry tefsen had Texelse oma (met een mooie grote foto van haar en wat voor mij zo interessant was dat op de kleine foto linksonder het rijtje huizen staat waar in een van de huizen mijn grootvader Jacob Baas op 11 feb 1838 werd geboren. Mogelijk is het rijtje huizen van na 1838, maar hij heeft er met zijn vader Cornelis ( geb. 18 nov. 1894) nog wel gewoond (=meded, museum Oudeschild eind 1991) 

De NS-verbindingen zijn stiefkindje geworden, die komen nog wel eens aan bod.

 

NIEUWJAARSWENS  

Ik wens iedereen, ook al mijn twittervrienden:

 EEN GELUKKIG 2011

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

 

 

Dit bericht is geplaatst in Algemeen. Bookmark de permalink.

8 reacties op Het Hoge Noorden

Reacties zijn gesloten.